Hilde Vandaele Gallery
Skip to main content
  • Menu
  • Artists
  • Exhibitions
  • Art Fairs
  • Kortrijk
  • Watou
  • Castle of Watou
  • Contact
Menu
  • Forthcoming
  • Past

HORST LINN: Notwendige Formen

Forthcoming exhibition
1 March - 12 April 2026 Watou
  • Overview
© HORST LINN Torsion S 1, 1990, staal en goudverf, 37 x 28 x 8 cm
© HORST LINN Torsion S 1, 1990, staal en goudverf, 37 x 28 x 8 cm

Een solo-tentoonstelling met werken van HORST LINN 
met dank aan Anne Voss en Frank Hendrickx voor de samenwerking.

Opening
zondag 1 maart 2026
14:00 - 18:00

 

Locatie
Kasteelstraat 1
8978 Watou

Openingsuren
zaterdag - zondag

14:00 - 18:00
Paaszondag 5 april gesloten

Horst Linn (1936–2025) is in de eerste plaats beeldhouwer: hij denkt en werkt consequent in drie dimensies. Dat sculpturale uitgangspunt is niet alleen bepalend voor zijn objecten en reliëfs, maar voor alles wat hij doet. Als beeldhouwer en tekenaar ontwerpt hij ruimtelijke structuren die hij doorgaans zelf uitvoert; als musicus vult hij ruimte niet enkel met klank, maar ook met lichamelijke, expressieve gebaren op de drums; als ruimtelijk kunstenaar ensceneert hij werk in stedelijke en landelijke contexten, in openbare en private omgevingen; als docent creëert hij ruimte voor anderen. Zelfs waar zijn werk visueel “vlak” lijkt, mag het niet worden begrepen als een projectie van drie dimensies naar twee. Sommige reliëfs zijn uiterst ondiep, maar blijven reliëfs: ze bevrijden zich van representatie en van het centrale perspectief, dat in Linns werk geen richtinggevende rol speelt.

De wortels van dit ruimtelijke denken liggen zowel in biografie als in opleiding. Linn werd geboren op 14 juni 1936 in Friedrichsthal/Saar als zoon van de beeldhouwer Willi Linn en groeide deels op in München, waar zijn vader als meesterleerling van Joseph Wackerle meewerkte aan monumentale sculpturen. De vroege nabijheid van het beeldhouwambacht werkte vormend, maar riep bij Linn tegelijk weerstand op tegen het klassieke beeldhouwen en vooral tegen steen. Parallel ontwikkelde hij zich als muzikant: al op jonge leeftijd speelde hij intensief drums en vanaf 1961 trad hij met succes op in een jazzcontext. De voortdurende pendelbeweging tussen muziek en beeldende kunst bleef zijn hele leven aanwezig en voedde zijn reflecties op ruimte, tijd, lichaam en waarneming.

Vanaf 1956 studeerde Linn aan de Staatliche Schule für Kunst und Handwerk in Saarbrücken en maakte hij de institutionele transformatie tot een Staatsschool voor Toegepaste Kunsten van nabij mee. Hij behaalde een onderwijsbevoegdheid en studeerde kunstgeschiedenis en filosofie aan de Universiteit van Saarland. Mentoren en docenten—onder wie Josef Adolf Schmoll gen. Eisenwerth, Boris Kleint, Oskar Holweck en Karl Kunz—stimuleerden hem zijn eigen werk te intensiveren. Cruciaal werd vooral de metaalwerkplaats onder leiding van Peter Raacke: daar vond Linn niet enkel toegang tot koper en aluminium, maar ook tot een materiaalbegrip dat destijds eerder bij industrieel ontwerp dan bij autonome kunst leek te horen. Wat toen experimenteel was, werd op lange termijn een fundament van zijn werkwijze.

Het oeuvre van Linn is in grote lijnen te lezen als een reeks werkgroepen die fasen markeren, met kleinere series als scharnieren daartussen. Vanuit zijn strenge normen liet hij studentwerk buiten zijn catalogus raisonné. Vroege koperen reliëfs werden soms verbonden met Art Informel en de École de Paris, maar de ogenschijnlijke willekeur is misleidend: achter de vervorming schuilt een gecontroleerd proces van hitte, lineaire kracht, uitharding en precies gestuurde verkleuring. De basisvouw fungeert daarbij als dragende structuur waarbinnen detail, diepte en ruimtelijk effect zich ontwikkelen; een brede rand omlijst het werk en benadrukt de minimale, maar beslissende reliëfdiepte.

In de jaren zestig verbreedde Linn zijn netwerk via tentoonstellingen en het lidmaatschap van de Neue Gruppe Saar, en hij oriënteerde zich ook buiten Saarland, onder meer in de context van kunstenaars rond Zero. Dit leidde tot spiegelobjecten in gepolijst roestvrij staal of aluminium (1968), waarin hij vanuit een eenvoudige basisvorm—het vierkant—door vouwen zowel reflectie als omtrek transformeerde. Het ging hem minder om het theatrale effect van licht dan om de onvermijdelijkheid van zichtbare materiële veranderingen door elementaire technische ingrepen; in die zin verschilde hij wezenlijk van de Zero-esthetiek. Een vergelijking met Hermann Goepfert is hier veelzeggend: verwantschap in theoretische intensiteit, maar uiteenlopende verwachtingen van object en ontvangst.

Rond 1974, kort vóór zijn benoeming tot hoogleraar objectontwerp in Dortmund, begon Linn dikke ijzeren platen in hoeken te buigen en te vouwen. Uit rechthoeken ontstonden trapeziumachtige figuren met vaste vouwhoeken; de objecten breidden zich direct uit in de ruimte en konden als trappen, hoekconstructies of ‘agressieve’ uitbreidingen worden ervaren. Deze werken sluiten aan bij de traditie van de concrete kunst: vanuit eenvoudige uitgangsvormen en geometrische beslissingen ontstaan complexe, vaak titelloze objecten. Ze zijn noch puur reliëf, noch klassieke sculptuur in de vrije ruimte, maar bepalen ter plekke hun houding ten opzichte van de omgeving. Eén principe blijft echter constant: men moet eromheen kunnen bewegen; ze laten zich niet begrijpen als een tweedimensionaal beeld.

Uit de ‘golfplaten’-reliëfs—de bekendste en langst doorlopende reeks, ontstaan rond zijn Dortmundse periode—ontwikkelden zich twee lijnen: profielwerk, waarin gevouwen vlakken worden gereduceerd tot een skelet van steunlijnen of staven, en vouwvormen die een papierlogica volgen, alsof origami in metaal wordt vertaald. In deze werken wordt kleur steeds belangrijker, aanvankelijk in metaal- en industriële tinten en later explicieter; maar vooral de ophanging vóór de muur introduceert een nieuw sculpturaal element: schaduw. Schaduw is bij Linn geen bijkomstig effect, maar een autonome, quasi-virtuele laag die de waarneming stuurt en sterker wordt naarmate het object compacter is.

In de jaren tachtig verfijnde Linn zijn wandmontage en ontwikkelde hij bas-reliëfs in karton en plaatstaal, mede gestimuleerd door de samenwerking met de Dortmundse galeriehoudster Anne Voss. Hij maakte ook kleine kartonwerken en gevouwen ansichtkaarten die als ironisch commentaar functioneren op eindeloos gereproduceerde kunstbeelden: door vouwen ontstaan nieuwe niveaus van begrip en vormcomplexen. Begin jaren negentig introduceerde Linn de ‘openingen’: wandobjecten die werken met dubbele kaders, verschuivingen en desoriëntatie. Afhankelijk van kijkhoek lijken voor- en achtervlak congruent of juist uiteenlopend; er ontstaan micro-ruimtes, terugwijkende gangen of doosachtige dieptes. In varianten met plexiglas intensiveert lichtbreking dit effect.

Na het beëindigen van zijn loopbaan als docent in 2001 richtte Linn zich sterker op werken in de openbare ruimte en op strategieën van objet trouvé, zoals vangrails en vlaggen. Daarbij bleef zijn formele onderzoek intact: cirkelvormige constellaties, hoekplaatsingen en muurinterventies verbinden object, architectuur en projectie. In latere openbare werken—zoals een poort in glas en Cortenstaal—koppelt Linn materiaalkeuze aan regionale en biografische resonanties; het terugkerende regenboogmotief en de lichtwerking verbinden verschillende periodes van zijn oeuvre. Ook in zijn recentere werken, vaak uit gebogen of gelijmde stroken Cortenstaal en soms in krachtige kleuren, verschijnt een uitgesproken symbolische leesbaarheid van horizonten, verticalen en diagonalen. Ze leunen dicht tegen de muur, maar steken tegelijk nadrukkelijk de ruimte in: objecten die de beschouwer letterlijk en figuurlijk confronteren.

Linns oeuvre is uiteindelijk meer dan een les in kijken. Voorbij elke rationele constructie berust het op een dubbele autonomie: die van de kunstenaar en die van de kijker. Zijn tekens zijn gereduceerd, maar niet arm; zijn vormen zijn eenvoudig, maar niet gemakkelijk. Met zijn brede kunst- en technologiehistorische kennis staat hij dichter bij Athanasius Kircher dan bij Alexander Calder; in zijn ruimtelijke denken verwijst hij eerder naar Meester Gerhardus dan naar Le Corbusier. Zijn symboliek is minder syntactisch dan pragmatisch: betekenis ontstaat in situ, in de ontmoeting met het werk. Daarmee vervult Linn een modernistische eis die tegelijk streng en paradoxaal is: het eenvoudige realiseren dat zo moeilijk te bereiken is—verwant aan het denken van Adolf Loos.

Vrije bewerking en vertaling van een oorspronkelijke tekst door Rolf Sachsse.
Bron tekst: institut-aktuelle-kunst.de/kuenstlerlexikon/linn-horst

 

Related artist

  • HORST LINN

    HORST LINN

Share
  • Facebook
  • X
  • Pinterest
  • Tumblr
  • Email
Back to Forthcoming exhibitions

info@hildevandaele.com
Open according to the exhibitions and by appointment

Kasteelstraat 1
8978 Watou - Belgium

 

Doornstraat 6.0001
8500 Kortrijk - Belgium

Instagram, opens in a new tab.
LinkedIn, opens in a new tab.
Join the mailing list
Send an email
View on Google Maps
Manage cookies
Copyright © 2025 Hilde Vandaele Gallery
Site by Artlogic

This website uses cookies
This site uses cookies to help make it more useful to you. Please contact us to find out more about our Cookie Policy.

Manage cookies
Accept

Cookie preferences

Check the boxes for the cookie categories you allow our site to use

Cookie options
Required for the website to function and cannot be disabled.
Improve your experience on the website by storing choices you make about how it should function.
Allow us to collect anonymous usage data in order to improve the experience on our website.
Allow us to identify our visitors so that we can offer personalised, targeted marketing.
Save preferences
Close

Thank you for signing up to our mailing list.

Signup

* denotes required fields

We will process the personal data you have supplied in accordance with our privacy policy (available on request). You can unsubscribe or change your preferences at any time by clicking the link in our emails.